Next: Hybride orbitalen
Up: Aantekeningen bij het college
Previous: Dichtheidsmatrix
Als we eenmaal de golffunctie van een molecuul bepaald hebben, kunnen we ook eigenschappen van dit molecuul uitrekenen. Een van deze eigenschappen is het dipoolmoment. Klassiek wordt het dipoolmoment voor een systeem van n deeltjes met ladingen qi en posities
ri gegeven door
 |
(39) |
Het dipoolmoment is dus een vector met een grootte en een richting. Stel dat we het gehele systeem over een vector
t zouden transleren:
Dan wordt het nieuwe dipoolmoment gegeven door
 |
(41) |
waar
de totale lading van het systeem is. Alleen als het systeem neutraal is (Q = 0), hangt het dipoolmoment dus niet af van de keuze van de plaats van de oorsprong van het assenstelsel.
De quantummechanische dipoolmoment (vector-)operator verkrijgen we door voor de plaats van een geladen deeltje de bijbehorende operator in te vullen, dus
 |
(42) |
Bekijk bevoorbeeld één deeltje met lading q1 en (genormeerde) golffunctie
.
De verwachtingswaarde van de z-component van het dipoolmoment van dit deeltje wordt gegeven door
 \mathrm{d}\mathbf{r},
\end{displaymath}](img122.gif) |
(43) |
en aangezien
,
gaat dit over in
 |
(44) |
In de limiet naar een klassiek deeltje met plaats
r1 weten we dat
 |
(45) |
zodat de verwachtingswaarde van het dipoolmoment voor een dergelijk deeltje gegeven wordt door
wat inderdaad de z-component van het klassieke dipoolmoment van dit deeltje is.
Voor we een systeem met twee deeltjes gaan bekijken, eerst even een stukje over symmetrie en dipoolmoment. Vaak kunnen we namelijk symmetrie gebruiken om een dipoolmoment naar nul te praten. Bekijk bijvoorbeeld de inversie-operator
,
gedefinieerd door
 = \chi(-\mathbf{r}) .
\end{displaymath}](img130.gif) |
(47) |
Dan geldt dus voor bijvoorbeeld de
-operator
![\begin{displaymath}\left[ \hat\imath[\hat{z}\chi] \right](\mathbf{r})
= [\hat{z...
...f{r})
= -\left[ \hat{z}[\hat\imath\chi] \right](\mathbf{r}) ,
\end{displaymath}](img132.gif) |
(48) |
en aangezien dit geldt voor willekeurige functie
krijgen we
 |
(49) |
ofwel, aangezien
:
 |
(50) |
Maar dan geldt dus voor de z-component van de dipoolmoment-operator
 |
(51) |
zodat we voor de bijbehorende verwachtingswaarde bij een genormeerde functie
zien dat
 |
(52) |
Voor gerade (
)
of ungerade (
)
functies geldt dus
 |
(53) |
Als voorbeeld voor het werken met een meer-deeltjes dipoolmoment operator proberen we het dipoolmoment van HF uit te rekenen. We leggen het molecuul langs de z-as, met de waterstofkern op -R/2 en de fluorkern op +R/2, waarbij R de afstand tussen de twee kernen is. We maken een zeer ruwe valence bond beschrijving, waarbij we 8 elektronen van het fluor atoom vasthouden in de core
(1s)2(2s)2(2px)2(2py)2, en we bekijken de overgebleven twee elektronen in een basis bestaande uit
en
.
We nemen aan dat deze functies genormeerd zijn
 |
(54) |
en maken de volgende grove benaderingen:
 |
(55) |
De twee structuren die we meenemen zijn de de ionogene structuur
,
waarin de waterstofkern positief geladen is en de fluorkern negatief (H+F-), en de covalente structuur
,
waarin beide atomen neutraal zijn (H--F), beide met een singlet spinfunctie:
Door het negeren van de overlap tussen
en
zijn deze genormeerd en staan ze loodrecht op elkaar. De totale golffunctie is dus een lineaire combinatie van een covalente en een ionogene structuur:
 |
(58) |
De lading van de waterstofkern is +1 (in atomaire eenheden), evenals die van de fluorkern met de core-elektronen, zodat de effectieve z-component van de dipoolmoment-operator wordt gegeven door
wat weer het soort operator uit hoofdstuk 3 is. Dus als we de verwachtingswaarde van
opschrijven
 |
(60) |
en eerst de noemer uitwerken, dan zien we dat
 |
= |
 |
|
| |
= |
 |
|
| |
|
 |
|
| |
= |
cion2 + ccov2 . |
(61) |
Op dezelfde manier geeft uitwerken van de teller
Uitwerken van de eerste term is makkelijk. Aangezien
een Slater-determinant met orthonormale spinorbitalen is, wordt dit simpelweg
![\begin{displaymath}\langle{\psi_{ion}}\vert{\hat{\mu}_z^{eff}\psi_{ion}}\rangle
...
...i_2}\rangle]
= -2\langle{\chi_2}\vert{\hat{z}\chi_2}\rangle .
\end{displaymath}](img167.gif) |
(63) |
Verder hebben we in hoofdstuk 3 gezien dat
voor orthogonale spinorbitalen alleen iets oplevert als de spinorbitaalvolgorde in bra en ket gelijk is. Maar aangezien in alle termen van de covalente structuur minstens één keer de baanfunctie
voorkomt, en in de ionogene structuur nergens, en aangezien
in onze benadering loodrecht staat op
,
zijn de kruistermen
 |
(64) |
Dan houden we nog de laatste term over, die bestaat uit twee Slaterdeterminanten. Hiervoor geldt dat de spinorbitalen in de eerste determinant loodrecht staan op die in de tweede determinant (hetzij via het spindeel, hetzij via het baandeel), zodat deze term reduceert tot
De verwachtingswaarde van
hebben we nu dus al teruggebracht tot
 |
(66) |
Uitwerken van de twee overgebleven inprodukten lijkt misschien op het eerste gezicht moeilijk, omdat er niet direct symmetrie in het probleem zit. De functies
en
zijn immers op de kernen gecentreerd, terwijl de functie z symmetrie t.o.v. de oorsprong heeft. Met wat trucs kunnen we dit probleem toch oplossen. We beginnen het probleem gewoon uit te schrijven
waar
RH de plaats van de waterstofkern is. We definiëren nu een nieuwe integratie-variabele
.
Dan is dus
dr= dr', en
z = z' + zH = z' - R/2. De integratiegrenzen
en
blijven voor alle drie de coördinaten natuurlijk ongewijzigd. Vgl. (69) gaat dan dus over in
Analoog aan vgl. (55) is het eerste inprodukt nul (de 1s functie is gerade), en omdat we geeist hadden dat de basisfuncties genormeerd waren is het tweede inprodukt één, zodat we uiteindelijk krijgen
 |
(69) |
Op dezelfde manier vinden we dat
,
zodat we tenslotte op kunnen schrijven
 |
(70) |
De verhouding tussen de coëfficiënten cion en ccov zou berekend moeten worden door het
variationele probleem op te lossen, iets wat we hier niet zullen doen.
Next: Hybride orbitalen
Up: Aantekeningen bij het college
Previous: Dichtheidsmatrix
Gerrit Groenenboom
2005-06-01